Het populisme is nooit voor de Verlichting geweest
January 15th, 2011Dit stuk is een reactie op het artikel ‘Het populisme keert zich tegen de Verlichting – niet geheel onterecht’ van Bas Heijne.
Bas Heijne heeft het populisme verklaard. Links en de de progressieven hebben de menselijke aard ontkend door de verworvenheden van de Verlichting tot dogma te verklaren. Dit kon voor de gewone man, die overgelaten werd aan zijn lot, natuurlijk niet langer voortduren. Het populisme is zijn antwoord op deze vorm van verwaarlozing. Ondanks dat het artikel sympathiek is slaat hij driemaal de plank mis.
1. Ook Bas Heijne stapt te makkelijk in de val dat alles wel aan links zal liggen. Links is het dartbord geworden waar dan in de tegenstelling rechts van alles tegen aan mag gooien. Ik ben niet links. Ik ken die linkse elite niet die zulke meningen verkondigen. Ik ken überhaupt geen andere mensen die de te bestrijden meningen koesteren. Ik kan wel herleiden dat het feitelijk gehalte van dit soort kritiek vaak een zeer wankele basis heeft.
Heijne’s ongemakkelijkheid met Sorkin’s reactie over de Kariboe van Palin is wat dat betreft een goed voorbeeld. Sorkin beweert nergens dat hij liever vegetariër zou zijn, dat hij niet wil zien hoe zijn vlees geproduceerd wordt, of dat hij zich verstopt voor de consequenties van zijn vleesconsumptie. Sorkin zegt al niet wat Heijne wil bestrijden, maar via liberals, links en progressieven komen we uit bij het idee dat de basis van alle kritiek op Palin wilszwakte is die barbaarse praktijken wegstopt en de pijnlijke kwestie uit de weg gaat: Wie vlees eet, zal moeten doden. Dat lijkt me echter geen pijnlijke kwestie, maar een logisch gevolg. De pijnlijke kwestie is dat Palin geen goede reden heeft voor het doden van de Kariboe. Sorkin is daar moreel verontwaardigd over. We mogen van mensen verwachten dat ze een goede reden hebben als ze doden en dit niet als vermaak doen.
Heijne bewijst dat de discussie met links niet met links gevoerd wordt. Net als Bosma praat hij met een bedachte tegenstander uit het ‘linkse establishment’ en bepaalt hij niet alleen zijn eigen argumenten, maar ook die van de tegenstander. Waarschijnlijk zitten met mij velen te wachten tot de mensen waar Heijne of Bosma dan kennelijk mee in discussie zijn antwoord geven. Het blijkt echter dat die mensen net zo imaginair zijn als Henk en Ingrid.
2. Heijne zwelgt in het romantische beeld van een diep gevoelde menselijke aard en te lang onderdrukte gemeenschapszin: De gewone man als ‘Nobel Savage’. Hij komt echter niet voorbij het herhalen van dat kennelijk aan Herder ontleende romantische ideaal. Het hedendaags populisme gaat niet over een diep gevoelde menselijke aard die hervonden moet worden. Het gaat over het vermijden van verantwoordelijkheid. De moderne mens vindt zichzelf de beste beoordelaar van zijn acties en vindt zeker niet dat hij daarin beperkt mag worden, ook niet in het gemeenschapsbelang.
Gemeenschappen zijn nu voornamelijk imaginaire gemeenschappen waarbinnen we vinden dat de een erbij hoort en de ander zeker niet. De imaginaire gemeenschap wordt vooral in stand gehouden door te benadrukken dat de anderen zo anders zijn. Ze creëren geen wezenlijke gemeenschap en aan deelname laat de moderne mens geen eisen stellen. Je mag niet zeggen dat er geen nationale identiteit is, zoals Maxima ondervond, maar je mag ook niet vragen wat deze dan inhoud. Je mag alle straatterroristen ter dood veroordelen om de Nederlandse maatschappij te beschermen. Het doodvonnis verandert echter net zo makelijk in gedogen als het jouw zetelverdeling beter uitkomt.
Het is vanuit de culturele positie die Heijne inneemt en die hij deelt met iemand als Paul Scheffer logisch om de aanval in te zetten op de aanhangers van de verlichting. Zij vinden hun eigen superioriteit vooral terug in de liberale principes die daaruit voortkwamen. Zij accepteren deze principes wel als universeel en beschouwen het feit dat het westen ze als eerst heeft omarmd als een gelukkig toeval. Het probleem voor beide kampen is dat zij hun primaire belang: vrijheid, of het uitleven van de menselijke aard het best gediend zien als anderen voorspelbaar zijn. Of dit nu is door vrijheid afhankelijk te maken van bezit, of het veronderstellen van een gemeenschap waarin iedereen zich houdt aan die regels die voor jou niet nodig zijn. De conclusie blijft dezelfde: we mogen allemaal hufters zijn.
3. Het populisme is geen wezenlijk ander ding dat verklaring nodig heeft: het is de democratisering van het idee van elite. De veelheid van breed uitgemeten verklaringen voor dit fenomeen is dan ook voornamelijk het establishment dat is geschrokken van haar eigen spiegelbeeld. De gewone man die in Heijne’s relaas zoveel bittere conclusies moet trekken en niet beschermd wordt tegen de boze buitenwereld die globalisering heet, bestaat niet. Het kenmerk van de gewone man is nu juist dat hij bijzonder gevonden wil worden. Hij trekt zijn bittere conclusies vanuit een ongekende luxe positie, zeker in vergelijking tot de rest van de globe. Hij profiteert volop van de globalisering, maar wil de kosten ervan niet bijdragen. Hij wil vooral zelf bepalen wanneer hij aan zijn lot overgelaten wordt. De mate waarin hij dat wil is dan ook nog eens afhankelijk van de uitkomst van zijn eigen daden. Hij is kortom decadent gedrag gaan vertonen.
De gewone man heeft het idee van elite gevolgd. Het populisme is slechts de laatste stap tot volledige gelijkwaardigheid. Niet geheel toevallig dat er nu hernieuwde interesse is voor het begrip gelijkheid en de wens om de regel een kleine toevoeging te geven: ‘maar sommige dieren zijn meer gelijk dan andere’. Het is echter onzinnig om deze discussie te willen voeren binnen een democratische samenleving. We zijn allemaal akkoord zolang we ons mogen rekenenen tot de meer gelijken.
De democratisering van het idee van elite is deels een autonoom proces: Het algemene opleidingsniveau is toegenomen waardoor dit moeilijk als onderscheiding kan dienst doen. De opbrengst van het zijn van elite is veranderd van secundaire behoeften, zoals privilege naar tertiaire behoeften, zoals aandacht. Deze laatste is veel minder schaars en dus over een grotere groep te verdelen.
Echter ook de aard van de elite zelf is veranderd. In een democratische samenleving is eigenlijk het onderscheidend vermogen tussen gewone mensen en elites maar via een eigenschap te bewerkstelligen: offeringsbereidheid voor de publieke zaak. Het ‘At your service’ van Pim Fortuin leek ook oprecht hiernaar te verwijzen. Die offerbereidheid vinden we nu echter alleen nog bij soldaten en ontwikkelingswerkers, ver van huis. Zij die zich beschouwden als elite hebben hun activiteiten geprofessionaliseerd en gekaderd in hetzelfde eigenbelang dat voor andere burgers geldt. Zonder die opofferingsbereidheid voor de publieke zaak is de elite niet meer te onderscheiden van de gewone burger.
Heijne zet tot slot nog de Schotse moralisten op hun kop door te suggereren dat zij een compromis wilden sluiten tussen de menselijke aard ontkennen en erin zwelgen. Neen, zij zagen voldoende mogelijkheden om de tekortkomingen van de mens te kunnen reguleren via mechanismen en moraal. Dit zouden onze mechanismen moeten zijn: Samenleven is bepalen waar de grenzen liggen van menselijk gedrag. Democratie is de mogelijkheid om die grenzen mede te helpen bepalen. Recht is de mogelijkheid om afwijkingen daarvan indien nodig te bestraffen. Alles daarbuiten is persoonlijke vrijheid welke de mogelijkheid biedt om die grenzen te bediscussiëren, niet om ze aan je laars te lappen.






