Het populisme is nooit voor de Verlichting geweest

January 15th, 2011

Dit stuk is een reactie op het artikel ‘Het populisme keert zich tegen de Verlichting – niet geheel onterecht’ van Bas Heijne.

Bas Heijne heeft het populisme verklaard. Links en de de progressieven hebben de menselijke aard ontkend door de verworvenheden van de Verlichting tot dogma te verklaren. Dit kon voor de gewone man, die overgelaten werd aan zijn lot, natuurlijk niet langer voortduren. Het populisme is zijn antwoord op deze vorm van verwaarlozing. Ondanks dat het artikel sympathiek is slaat hij driemaal de plank mis.

1. Ook Bas Heijne stapt te makkelijk in de val dat alles wel aan links zal liggen. Links is het dartbord geworden waar dan in de tegenstelling rechts van alles tegen aan mag gooien. Ik ben niet links.  Ik ken die linkse elite niet die zulke meningen verkondigen.  Ik ken überhaupt geen andere mensen die de te bestrijden meningen koesteren. Ik kan wel herleiden dat het feitelijk gehalte van dit soort kritiek vaak een zeer wankele basis heeft.

Heijne’s ongemakkelijkheid met Sorkin’s reactie over de Kariboe van Palin is wat dat betreft een goed voorbeeld. Sorkin beweert nergens dat hij liever vegetariër zou zijn, dat hij niet wil zien hoe zijn vlees geproduceerd wordt, of dat hij zich verstopt voor de consequenties van zijn vleesconsumptie. Sorkin zegt al niet wat Heijne wil bestrijden, maar via liberals, links en progressieven komen we uit bij het idee dat de basis van alle kritiek op Palin wilszwakte is die barbaarse praktijken wegstopt en de pijnlijke kwestie uit de weg gaat: Wie vlees eet, zal moeten doden. Dat lijkt me echter geen pijnlijke kwestie, maar een logisch gevolg. De pijnlijke kwestie is dat Palin geen goede reden heeft voor het doden van de Kariboe. Sorkin is daar moreel verontwaardigd over. We mogen van mensen verwachten dat ze een goede reden hebben als ze doden en dit niet als vermaak doen.

Heijne bewijst dat de discussie met links niet met links gevoerd wordt. Net als Bosma praat hij met een bedachte tegenstander uit het ‘linkse establishment’ en bepaalt hij niet alleen zijn eigen argumenten, maar ook die van de tegenstander. Waarschijnlijk zitten met mij velen te wachten tot de mensen waar Heijne of Bosma dan kennelijk mee in discussie zijn antwoord geven. Het blijkt echter dat die mensen net zo imaginair zijn als Henk en Ingrid.

2. Heijne zwelgt in het romantische beeld van een diep gevoelde menselijke aard en te lang onderdrukte gemeenschapszin: De gewone man als ‘Nobel Savage’. Hij komt echter niet voorbij het herhalen van dat kennelijk aan Herder ontleende romantische ideaal. Het hedendaags populisme gaat niet over een diep gevoelde menselijke aard die hervonden moet worden. Het gaat over het vermijden van verantwoordelijkheid. De moderne mens vindt zichzelf de beste beoordelaar van zijn acties en vindt zeker niet dat hij daarin beperkt mag worden, ook niet in het gemeenschapsbelang.

Gemeenschappen zijn nu voornamelijk imaginaire gemeenschappen waarbinnen we vinden dat de een erbij hoort en de ander zeker niet. De imaginaire gemeenschap wordt vooral in stand gehouden door te benadrukken dat de anderen zo anders zijn. Ze creëren geen wezenlijke gemeenschap en aan deelname laat de moderne mens geen eisen stellen.  Je mag niet zeggen dat er geen nationale identiteit is, zoals Maxima ondervond, maar je mag ook niet vragen wat deze dan inhoud. Je mag alle straatterroristen ter dood veroordelen om de Nederlandse maatschappij te beschermen. Het doodvonnis verandert echter net zo makelijk in gedogen als het jouw zetelverdeling beter uitkomt.

Het is vanuit de culturele positie die Heijne inneemt en die hij deelt met iemand als Paul Scheffer logisch om de aanval in te zetten op de aanhangers van de verlichting. Zij vinden hun eigen superioriteit vooral terug in de liberale principes die daaruit voortkwamen. Zij accepteren deze principes wel als universeel en beschouwen het feit dat het westen ze als eerst heeft omarmd als een gelukkig toeval. Het probleem voor beide kampen is dat zij hun primaire belang:  vrijheid, of het uitleven van de menselijke aard het best gediend zien als anderen voorspelbaar zijn. Of dit nu is door vrijheid afhankelijk te maken van bezit, of het veronderstellen van een gemeenschap waarin iedereen zich houdt aan die regels die voor jou niet nodig zijn. De conclusie blijft dezelfde: we mogen allemaal hufters zijn.

3. Het populisme is geen wezenlijk ander ding dat verklaring nodig heeft: het is  de democratisering van het idee van elite. De veelheid van breed uitgemeten verklaringen voor dit fenomeen is dan ook voornamelijk het establishment dat is geschrokken van haar eigen spiegelbeeld. De gewone man die in Heijne’s relaas zoveel bittere conclusies moet trekken en niet beschermd wordt tegen de boze buitenwereld die globalisering heet, bestaat niet. Het kenmerk van de gewone man is nu juist dat hij bijzonder gevonden wil worden. Hij trekt zijn bittere conclusies vanuit een ongekende luxe positie, zeker in vergelijking tot de rest van de globe. Hij profiteert volop van de globalisering, maar wil de kosten ervan niet bijdragen. Hij wil vooral zelf bepalen wanneer hij aan zijn lot overgelaten wordt. De mate waarin hij dat wil is dan ook nog eens afhankelijk van de uitkomst van zijn eigen daden. Hij is kortom decadent gedrag gaan vertonen.

De gewone man heeft het idee van elite gevolgd. Het populisme is slechts de laatste stap tot volledige gelijkwaardigheid. Niet geheel toevallig dat er nu hernieuwde interesse is voor het begrip gelijkheid en de wens om de regel een kleine toevoeging te geven: ‘maar sommige dieren zijn meer gelijk dan andere’. Het is echter onzinnig om deze discussie te willen voeren binnen een democratische samenleving. We zijn allemaal akkoord zolang we ons mogen rekenenen tot de meer gelijken.

De democratisering van het idee van elite is deels een autonoom proces: Het algemene opleidingsniveau is toegenomen waardoor dit moeilijk als onderscheiding kan dienst doen. De opbrengst van het zijn van elite is veranderd van secundaire behoeften, zoals privilege naar tertiaire behoeften, zoals aandacht. Deze laatste is veel minder schaars en dus over een grotere groep te verdelen.

Echter ook de aard van de elite zelf is veranderd. In een democratische samenleving is eigenlijk het onderscheidend vermogen tussen gewone mensen en elites maar via een eigenschap te bewerkstelligen: offeringsbereidheid voor de publieke zaak. Het ‘At your service’ van Pim Fortuin leek ook oprecht hiernaar te verwijzen. Die offerbereidheid vinden we nu echter alleen nog bij soldaten en ontwikkelingswerkers, ver van huis. Zij die zich beschouwden als elite hebben hun activiteiten geprofessionaliseerd en gekaderd in hetzelfde eigenbelang dat voor andere burgers geldt. Zonder die opofferingsbereidheid voor de publieke zaak is de elite niet meer te onderscheiden van de gewone burger.

Heijne zet tot slot nog de Schotse moralisten op hun kop door te suggereren dat zij een compromis wilden sluiten tussen de menselijke aard ontkennen en erin zwelgen. Neen, zij zagen voldoende mogelijkheden om de tekortkomingen van de mens te kunnen reguleren via mechanismen en moraal. Dit zouden onze mechanismen moeten zijn: Samenleven is bepalen waar de grenzen liggen van menselijk gedrag. Democratie is de mogelijkheid om die grenzen mede te helpen bepalen. Recht is de mogelijkheid om afwijkingen daarvan indien nodig te bestraffen. Alles daarbuiten is persoonlijke vrijheid welke de mogelijkheid biedt om die grenzen te bediscussiëren, niet om ze aan je laars te lappen.

File

December 28th, 2010

Meer asfalt helpt de files te beperken. Althans dat is nu al een tijd de opvatting in de politiek. Het feit dat ondanks vier jaar toevoegen van asfalt de filezwaarte in 2010 met 9% is gestegen en ook dit jaar het record van de totaal aantal files is gesneuveld moet daarom een andere oorzaak hebben. Het slechte weer: regen, sneeuw speelt zeker een rol. Het toevoegen van asfalt is echter ook veel minder een oplossing dan waarvoor hij wordt geprezen.

Om dat duidelijk te maken heb je een model nodig om het file probleem te vereenvoudigen. Het model dat meest schijnt te lijken op dat van verkeersbewegingen is dat van ‘fluid dynamics’. Hoewel dat misschien voor u geen enkel probleem is blijkt het in de praktijk moeilijk te gebruiken. Daarbij is het doorrekenen van de wiskunde voor mij in ieder geval te moeilijk. Ik heb behoefte aan een eenvoudiger model.

Stel u een verticale pijp voor die we van bovenaf vullen met kleine balletjes. Hoe meer balletjes we door de pijp gieten, hoe langzamer ze er aan de andere kant uitkomen. Dit komt door de wrijving van de pijp en de ‘botsing’ met andere balletjes. Dit lijkt op de manier waarop verkeer zich beweegt. Ondanks dat verkeer over het algemeen niet tegen de zijkant van weg, of tegen elkaar botst leidt het actief vermijden daarvan tot een vergelijkbare vertraging als van wrijving.

buis met balletjes

meer ballen, meer wrijving

Een  bredere pijp voor hetzelfde aantal balletjes zorgt ervoor dat de balletjes er sneller uitkomen. Meer asfalt lijkt dus te werken. Het probleem is echter dat autos naar verschillende punten willen en onze pijp afslagen nodig heeft. We maken dus een vertakking in onze pijp en maken een deel van onze balletjes magnetisch en plaatsen een magneet aan het uiteinde van onze vertakking.

Een bredere pijp, minder wrijving

De balletjes worden in hun ‘val’ naar de vertakking getrokken waardoor de wrijving op de niet geladen balletjes toeneemt: Zij worden afgeremd door de zich diagonaal verplaatsende magnetische balletjes. Hoe meer balletjes, hoe meer magnetische balletjes of hoe langer de diagonale weg die het moet afleggen hoe groter de chaos (entropy) die alle balletjes ondervinden, dus hoe groter de vertraging. Bredere rijbanen leiden dus op plekken van afslagen tot meer entropy (geladen balletjes snijden meer paden van vallende balletjes) en tot meer vertragingen.

Een afrit

Het model werkt ook voor het toevoegen van verkeer via een oprit. We draaien de pijp en onze magneet om en de magnetische balletjes worden in de pijp geduwd. Ook hier zien we de entropy toenemen.Je kunt met dit simpele model ook gelijk zien waarom wegversmallingen zo problematisch zijn: De entropy voor de versmalling veroorzaakt door de balletjes die naar binnen moeten is enorm. Het verwijderen van die versmalling werkt op die plek, maar wordt dan wel verplaatst naar de volgende afslag of oprit.

Een oprit

Versmalling leidt tot meer entropy

Uit dit simpele model blijkt dat de totale entropy (bijvoorbeeld oprit en afrit dicht bij elkaar) uiteindelijk de vertraging bepaalt. De entropy neemt af naarmate de afstand tot een verstoring (afrit, oprit, versmalling) groter wordt. Grotere afstanden tussen opritten, afritten en versmallingen zouden verschil kunnen maken. Het breder maken van de afirtten en smaller maken van de opritten helpt wel in onze pijp, maar verplaatst het probleem. Het langer maken van de afritten en opritten, of het eerder aankondigen van afritten ( aantrekkingskracht verdelen) helpt ook. Beperking van het verkeersaanbod maakt natuurlijk ook verschil. Dat komt toch echter vaak neer op de verwachting dat anderen de auto moeten laten staan. Bredere wegen dragen maar in zeer beperkte mate bij aan het voorkomen van vertragingen. Het is dus de vraag of dit verstandige investeringen zijn.

Vroegere aankondiging helpt de entropy verminderen

De economie van kernenergie

April 14th, 2010

Als we de berichten moeten geloven is iedereeen voor kernenergie. Dat verbaast mij en niet zozeer omdat radioactief materiaal gevaarlijk is en kernenergie die rommel in zulke grote mate produceert dat kolencentrales een schone optie lijken (de troep moet bij beide uiteindelijk de grond in). Dit is geen milieudiscussie. Het verbaast mij omdat ik er maar niet achter kan komen waarom het economisch haalbaar zou zijn om een kerncentrale te exploiteren?

Een kerncentrale kost 460 miljoen per jaar om te exploiteren en levert gemiddeld 12 miljard kWh aan stroom per jaar. Als we uitgaan van een prijs van 0,10 euro per kWh draait deze dus een omzet van 1,2 miljard. Het bouwen van een kerncentrale kost ongeveer 8 miljard en kost 10 jaar. Als we eventuele rente over de investering weglaten en we gaan er vanuit dat een kerncentrale 25 jaar draait (tot nu toe is 21 jaar het gemiddelde) dan gaan we pas na 21 jaar aan een centrale verdienen: Tien jaar investeren en  daarna 11 jaar de investering van 8 miljard terugverdienen. De volgende 14 jaar verdienen we dan nog 760 miljoen * 14  =  10,6 miljard. Dat lijkt veel, maar over onze initiele investering van 8 miljard komt dat neer op een jaarlijks rendenment van 3,8%. Daar zou ik als investeerder niet warm voor lopen.

Zeker niet als in het bovenstaande nog wat extra complicaties ingebouwd zitten. De prijs per kWh is nog lang geen 10 cent, maar schommelt rond de 5 cent. Er van uitgaan dat de prijs voor energie zal stijgen is niet echt speculeren. Een stijging van de gemiddelde prijs met 200% is echter best spannend. Bij een geleidelijke prijs ontwikkeling worden ook andere vormen van energie (zon- en windenergie) rendabel hetgeen de prijs zal drukken. In de initiele investering zitten de verwijderingsbijdrage voor de centrale en in de operationele kosten de kosten van opslag van het afval (volgens het ECN), maar het verlies van productiecapaciteit door storingen (hoe veilig ook voor de omgeving) is niet verzekerd.  Daarbij is de prijs van de voornaamste grondstof: uranium (ook onderdeel van de operationele kosten: bij huidige prijzen ongeveer 20 miljoen per jaar) geen belemmering, maar de beschikbaarheid van die grondstoffen wel. Gebrek aan uranium om de centrale op vol vermogen te laten draaien snijd direct in het rendement.

De beschikbaarheid van uranium is onderdeel van brede speculaties. Wat vast staat is dat er 5,500 miljoen ton aan reserves is en dat men jaarlijks 66500 ton gebruikt voor de 440 bestaande centrale. Als we andere verbruikers weglaten hebben we nog voor 83 jaar uranium. Met de reeds geplande bouw van nieuwe centrales (55) nog 73 jaar. Als we naar onze investering kijken mag er de komende 35 jaar niet meer dan de capiciteit van 1000 centrales worden gebouwd, anders is het uranium op voordat het maximale uit deze centrale is gehaald. Vijfhonderd extra centrales zou een verdubbeling zijn ten opzichte van nu en daardoor misschien onwaarschijnlijk. Aan de andere kant de afgelopen 35 jaar zijn er 440 centrales gebouwd.

De beschikbaarheid van uranium op korte termijn is een duidelijker probleem. Het maximale per jaar dat de wereld tot nu toe aan uranium geproduceerd heeft  is 42000 ton. Minder dan de benodigde hoeveelheid wereldwijd. Reserves en het opruimen van kernwapens hebben dit tot nu toe opgelost, maar de productie moet op zijn minst verdubbelen binnen 10 jaar om de centrales op volle kracht te laten draaien. Zelfs al betalen we veel hogere prijzen dan nog is het onzeker of de industrie wel kan blijven leveren en op tijd? We hebben dus reele korte en lange termijn risico’s op de voornaamste grondstof.

Zoals gezegd is er een breed skala aan speculaties over de beschikbaarheid van uranium. Extra bronnen bovenop de bestaande reserves kunnen gevonden worden in zeewater, fosfaten en in veel lagere concentraties in koolstofverbindingen. De extractie van uranium uit zeewater is theoretisch mogelijk. De concentratie is echter zo laag (3.3 deeltjes per miljoen), lager dan andere mineralen die we ondanks een hogere prijs en hogere concentratie ook niet winnen, dat de optie klein geacht moet worden dat we hier een haalbaar economisch model van kunnen maken. Dit nog afgezien van mogelijke ecologische schade van de hoeveelheid zeewater die ‘verwerkt’ moet worden en het verwerkingsproces zelf. De uranium boer kan daarnaast wel beweren dat er veel meer uranium gevonden gaat worden die via reguliere mijnbouw kan worden gewonnen, maar zolang deze reserves nog niet bij de (wat al heet ‘reasonable assured’) reserves geteld mag worden houden we het op een risico.

We zijn in het bovenstaande uitgegaan van een Type III centrale. Er is inmiddels al spraken van een Type IV centrale die efficienter en productiever zou moeten zijn. Er bestaan echter nog geen Type IV centrales. Zo’n centrale bouwen kost daardoor waarschijnlijk meer en zal zeker meer kinderziektes hebben. Hetgeen misschien gecompenseerd wordt door een hogere opbrengst, maar gegeven dat het ideaal plaatje boven al niet zo rooskleurig is zou ik niet zo maar kiezen voor nog meer risicos.

Om aan een kerncentrale te beginnen moeten we dus een lange termijn risico lopen (35 jaar) over een groot vermogen (8 miljard) om een rendement te kunnen halen van minder dan 4% met een groot risico dat door gebrek aan grondstoffen de capiciteit niet ten volle benut kan worden. Een belachelijk laag rendement op een risicovolle investering. Alleen als eigenaar van beschikbare uranium voorraden of als investering kunnen worden afgewenteld op anderen door subsidies of het verwaarlozen van bijvoorbeeld de verwijderingsbijdrage en afvalkosten valt er misschien voldoende te verdienen. Dat laatste baart me dan als niet investeerder weer zorgen.

Meisjes van dertien; Te oud voor een schommel, te jong voor een schip.

August 25th, 2009

Stel je bent vader en je dertienjarige dochter komt op een gegeven moment beneden met het verhaal dat ze twee jaar solo over de wereld wil zeilen. Je probeert het met een grapje: Maak jij eerst je huiswerk maar af! Maar net-door-de-drie-turven-heen houdt vol. Je besluit dan maar eens te onderzoeken of ze er over nagedacht heeft: Hoe ga je dat dan doen? Hoe ga je dat betalen? Je bent een gulle papa, maar zoveel zakgeld krijgt ze ook weer niet. Weet ze niet dat dat heel gevaarlijk kan zijn?

Hoe meer antwoorden ze heeft hoe meer je het gaat zoeken in vanuit de psychologische edutainment afkomstige zinnen: Hoe zie je dat dan voor je? Wat zijn je ambities hiermee? Als wat voor persoon denk je dat je terugkomt? Met elke nieuwe vraag hoop je dat ze het plan eindelijk laat varen. Stiekem hoop je ook, met vaderlijke trots, dat ze echt goed  nagedacht heeft en ook deze poging tot ontmoeding fier weet te weerstaan. Een andere strategie flitst door je hoofd: Ik blijf gewoon net zo lang vragen stellen en bezwaren opwerpen tot ze 21 is. Op zijn minst.

En daarmee heb je deze slag verloren, want je eigen berekendheid ontmaskert. Maar je bent een volwassen vent. Gewoon een nieuwe strategie: Wie zorgt er dan voor het konijn? En via verantwoordelijkheid, hoop, wanhoop kom je uit bij emotionele schade aan derden: Oma zou je vreselijk missen. Om uiteindelijk uit te komen bij de emotionele meesterzet: Ik zou twee jaar lang geen oog dicht doen! Maar met het tikken van de klok voel je dat wat een meesterzet leek alleen kan leiden tot remise.

Je speelt met de gedachte om de autoritaire kaart te spelen: Je gaat niet! Maar voelt dat de onvermijdelijke: Ik ga wel! zal leiden tot een welles-nietes spelletje waar zij op die leeftijd  veel meer routine in heeft dan jij.De gealarmeerde omgeving wil ook niet helpen. Ze krijgt zoveel routine in het bantwoorden van vragen, bedenkingen en tegenwerpingen dat ze inmiddels jaren ouder lijkt.

Volgende strategie dan maar: Ik vind het prima, maar je zult het helemaal zelf moeten organizeren. Nu maar wachten op de hobbel die een paar maatjes te groot is. Die laat wat lang op zich wachten. Nu ze avond aan avond bezig is, geconcentreerd met haar tong tussen de tanden, wil je ook geen boeman zijn en lever je af en toe hand en spandiensten. Daarbij voel je het glijden en is dit het moment om nog zoveel veiligheid in te bouwen als mogelijke is. Gaat het er dan toch van komen? En welke doodsangsten sta je uit?

Daarbij wordt inmiddels je aandacht gevraagd door iets anders: de raad van de kinderbescherming is zich ermee gaan bemoeien. Alleen dat is al genoeg. Jij, die je kind nooit kwaad zou doen, nooit kwaad hebt gedaan wordt nu opeens bevoogdend toegesproken en gedreigd met ontzetting uit de ouderlijke macht door die Raad van Hoeders! Je krijgt het verwijt dat je de gevaren niet overziet, maar vermoed dat geen van de hoeders hier ooit zoveel nachten van wakker gelegen heeft als jij. Je zou de normale ontwikkeling van je kind in de weg staan, die volgens de mal van de kinderbescherming nu vooral sociaal moet bezig zijn. Wie niet in de mal past kan rekenen op de aandacht, zei het een verdeelde, van de kinderbescherming.

Maar welk normaal kind wil op haar 13de alleen de wereld rond zeilen? Je kind is niet normaal. Zij is bijzonder. Al blijft het natuurlijk iets anders dan achterstevoren op een ezeltje rijden. Daar ontstaat ook het volgende dilemma. Ben je er eigenlijk wel voor dat je kind genormalizeerd wordt en mak wordt gemaakt voor de hoeders overzichtelijke kudde. Neemt ze je dat straks kwalijk! Als ze wel gaat is dat een bijzondere ervaring. Wie dat kan kan daarna de hele wereld aan. Als er iets fout gaat zul je het jezelf echter nooit vergeven, ook al heb je alle bezwaren in alle toonaarden en talen nu wel aan haar overgebracht.

Het dilemma heeft ook naar je dochter toe een nieuwe dimensie gekregen: Je kunt je kind niet meer weigeren, omdat je daarmee expliciet zegt dat ze vooral normaal moet gaan doen. Je kunt die beslissing niet overlaten aan de raad van de kinderbescherming zonder je met alle macht te verzetten, want ook dat is opkomen voor je kind. Daarnaast het gevoel van onrecht dat moet overheersen: Een dertienjarige die zich een coma zuipt kan rekenen op een lauwe publiekscampagne. Het echt zware geschut behouden ze voor als je kind ambitie toont.

Ne bis in idem

April 7th, 2008

Minister van Justitie Hirsch Ballin heeft aangekondigd dat hij met een wetsvoorstel zal komen om het mogelijk te maken verdachten die door een rechter vrijgesproken zijn opnieuw te berechten voor hetzelfde vegrijp. ‘Ne bis in idem’, het rechtsprincipe dat stelt dat je niet tweemaal veroordeelt kan worden voor hetzelfde vegrijp wordt hiermee aan de kant gezet. Een meerderheid van de tweede kamer lijkt hier zelfs voorstander van. Het lijkt dan ook een teken van onze tijd dat politici rechtstaatbeginselen zijn gaan beschouwen als niet meer dan vervelende obstakels in plaats van reeds lang geteste en bewezen werkende afwegingen van wat recht en rechtvaardig is.

Het is ook een typisch geval waarin de politiek de dynamiek onderschat van de regels die zij uitvaardigd, iets waar ik in latere instantie uitgebreider over zal schrijven. Niemand vind het leuk als een dader van een misdrijf wordt vrijgesproken. Echter in de praktijk worden alleen verdachten vrijgesproken. In de zin dat wij niet weten of die verdachte ook echt de dader is. Burgers zien graag dat de dader van een misdrijf wordt gepakt. Het geeft ons een gevoel van rechtvaardigheid en veiligheid te weten dat misdaad bestraft wordt. Wij hebben daarmee een aandrang om een verdachte tot dader te promoveren, want dan is ons rechtsgevoel bevredigd en kan de zaak worden gesloten. Pas als aangetoond wordt dat de verdachte niet de dader was komt er plaats voor verontwaardiging, zoals in de Schiedamse parkmoord.

Het Ministerie van Justitie wil nu de mogelijkheid hebben om verdachten te blijven aanmerken als de dader. zelfs als de rechter heeft geoordeeld dat deze persoon niet de dader was. Toegegeven het spreken van recht is mensenwerk. De rechter kan fouten maken, of niet alle feiten hebben. Rechercheren en aanklachten brengen is echter ook mensenwerk en het zou dus zo maar kunnen dat daar de fout is gemaakt. Juist bij misdaden als terrorisme, moord, doodslag en zeden misdrijven waar ook politie en justitie de druk zullen voelen om de schok van de rechtsorde te willen herstellen kan dit leiden tot fouten. Voorbeelden van fouten zijn er voldoende, maar ook dwalingen: de Puttense moordzaak,’The Gilford 4′, en ‘The Atlanta bomber’ zijn in die zin geen uitzondering.

Het opheffen van ‘Ne bis in idem’ leidt er alleen maar toe dat het OM geen zaken meer als verloren hoeft te beschouwen. Ze kan zich altijd beroepen op het feit dat ze een herzieningsverzoek zullen gaan indienen, omdat ze wel ‘bewijzen’ hebben. We moeten onderkennen dat dit grote gevolgen kan hebben voor een verdachte. Tussen het aankondigen van een herzieningsverzoek, het daadwerkelijk indienen en de uiteindelijke beoordeling daarvan door de rechter kan zo maar maanden of zelfs jaren zitten. In die periode blijft een persoon verdachte, in sommige gevallen onterecht. Vraag is ook wat het met slachtoffers doet als zij in die periode overtuigt blijven van de schuld van de verdachte en de rechter wijst het herzieningsverzoek af, of in de te volgen rechtzaak wordt de verdachte wederom vrijgesproken? Wij zullen ons hier echter beperken tot de de mogelijk gevolgen in het gedrag van het Openbaar Ministerie.

Vrijspraak van een verdachte zou moeten leiden tot het zoeken naar mogelijke andere verdachten. De mogelijkheid van herziening maakt dit overbodig en zelfs onwaarschijnlijk. Het is niet meer dan menselijk dat een overtuiging die men onderbouwt heeft met argumenten en naar eigen inzicht overtuigende bewijzen moeilijk los te laten is en te vervangen door een andere set van argumenten en bewijzen. Door herziening toe te staan kan het Openbaar Ministerie op zoek blijven naar het volgende stukje bewijs dat past binnen de oorspronkelijke overtuiging. Los van het feit dat schaarse middelen van politie en justitie verloren gaan aan wat misschien een vruchteloze zoektocht blijkt. Het verkleint de kans dat er echt opnieuw gekeken wordt naar een zaak en kan dus betekenen dat een mogelijke echte dader vrij blijft rondlopen.

De reden dat het Openbaar Ministerie de mogelijkheid wenst om verdachte opnieuw te kunnen vervolgen is duidelijk: Kleine fouten of ommissies, het niet tijdig hebben van een vitaal stuk bewijs kunnen leiden tot vrijspraak van een verdachte welke anders veroordeeld had kunnen worden. Er is echter een voordeel aan het hebben van een enkele kans om iets goed te doen: Je bent zorgvuldiger en geconcentreerder en meer bereid om tijd te besteden aan de voorbereiding. Het bieden van een mogelijkheid tot herkansing zal daarom ook leiden tot het aanbrengen van meer zaken die onvolledig zijn. Men spaart zichzelf immers de inspanning en voorbereiding als men denkt een kans te hebben dat de rechter de bewijzen voldoende acht. Zo niet, dan is er altijd nog de herkansing. Het effect hiervan is dat er meer onschuldige verdachten voor de rechter zullen komen, slachtoffers meerdere keren processen zullen moeten doormaken en daardoor uiteindelijk het vertrouwen in de rechtstaat wordt ondermijnd.

De regels voor strafvordering zijn er gedeeltelijk voor om ‘checks-and-balances’ te bieden tussen de verschillende belangen van de aanklager, namens de samenleving en de verdachte. Het opheffen van ‘Ne bis in Idem’ brengt dat evenwicht in gevaar door teveel te vertrouwen op de correctheid van het Openbaar Ministerie. We gaan er noch vanuit dat het Openbaar Ministerie bevolkt wordt door kwaadwillenden, noch dat zij bevolkt wordt door engelen. We hebben checks-and-balances nodig omdat zij bevolkt wordt door mensen, die hun werk goed willen doen, maar ook een ego hebben en afwegingen maken over inspanning en resultaat en die regels voor strafvordering de schalen in evenwicht moeten houden. Ik hoop in deze dan ook dat de Eerste Kamer of de Raad van Staten haar rol in de politieke ‘checks-and-balances’ serieus neemt en dit voorstel afwijst.

Onredelijkheid

March 3rd, 2008

<p>Wanneer iemand elke gelegenheid aangrijpt voor castijding wekt hij op zijn minst de indruk dat hij het lekker vindt. Hier moest ik aan denken in de recente oproep van premier Balkenende dat Nederland niet innovatief genoeg is en meer voorop moet willen lopen. Zelfs al onderschrijven we het sentiment dan nog staat het op gespannen voet met het vorige stokpaardje waarop de premier het land door hobbelde: waarden en normen.</p>
<p>Een nadruk op gedeelde waarden en normen is een nadruk op sociaal cohessie. Mensen moeten naast het respecteren van de wetten ook waarden en normen volgen die binnen een groep of samenleving als waardevol worden beschouwd. Het volgen van die waarden en normen moet enige voorrang hebben boven andere (individuele) aanspraken om niet betekenisloos te zijn. Een nadruk op gedeelde waarden en normen is een oproep tot conformisme.</p>
<p>Innovatie en vooroplopen, in goed Nederlands: je kop boven het maaiveld uitsteken is alles behalve conformistisch. Bernard Shaw heeft ooit gezegd: <blockquote>The reasonable man adapts himself to the world; the unreasonable man persists in trying to adapt the world to himself. Therefore all progress depends on the unreasonable man.</blockquote> Elke vorm van innovatie, of het opwerpen van nieuwe ideeen is per definitie een breuk met de dan bestaande en aanvaarde werkelijkheid. Die breuk kan tot heftige reacties leiden als mensen nieuwe ideeen als bedreiging kunnen ervaren voor hun waarden en normen, zoals de voorbeelden van Galileo en Darwin aantonen.</p>
<p>Het is niet zo dat elke vorm van innovatie per definitie een bedreiging is voor sociale cohessie. Innovatie is echter wel altijd een aanpassing van de bestaande werkelijkheid, alleen de mate waarin bepaalt in hoeverre het een bedreiging vormt voor de geldende moraal. A priori innovatie onderdrukken is nu juist niet wat de premier wil, a postiori selecties maken van innovaties die wel of niet passend zijn breekt de bereidheid van mensen om zich hier mee bezig te houden en leidt tot slappe, irrelevante, want risicoloze innovaties. Een probleem dat men nu al terugziet bij bedrijven, waar innovatie vaak niet meer betekent dan een nieuwe verpakking rond het oude product.</p>
<p>We kunnen de premier dan ook niet meer geven dan een zes-min voor zijn motivatie-speeches. Wil hij in aanmerking komen voor de fel begeerde negen dan zal hij toch duidelijker moeten uitleggen hoe wij tegelijkertijd geacht worden conformistisch en innovatief te zijn. Al zal hij zelf wel vinden dat hij een voldoende verdient nu zijn oproep tot een VOC-mentaliteit gesteunt wordt door de Europese centrale bank.  Deze geeft op grote schaal publiek geld uit om financiele ondernemers te redden die iets te frivool met hun risico’s zijn omgegaan, zoals ook de Nederlandse staat de failliete boedel van de VOC moest overnemen.</p>

The SCIENCE Delusion

January 2nd, 2008

I blame the media. My local newspaper made a short series about Richard Dawkins book ‘The God Delusion’ having other authors respond to it. The subject matter does not concern me very much, but my eye was caught by what seemed to be an excerpt from the book about the probability one could assign to the existence of God. I had some respect for Dawkins, so from a position of disbelief I picked up a copy of the book to see what he really meant.

The book was an ever bigger disappointment then the excerpt suggested. The intention of the book according to Dawkins is to convince at least some believers after reading the book of the errors of their ways. Rhetorically he cannot pull it off, because nowhere in the book he takes those readers or their beliefs serious. Dawkins never presents a single definition of God, but this does not stop him from stating a God hypothesis. He seems to suggest by doing this he argues against all possible ideas of God. It however makes the book read like he is going to prove that something he has no definition for does not exist.

He assigns at different points in the book different properties to God and tries to argue against or ridicule them. From a hypothesis point of view you either accept God as a single object irrelevant of different properties (an object that cannot exist does not have any properties), or you define your God as a product of those different properties and disprove all of them. Dawkins does neither, but seems to suggest in some instances, but not others, that if you discount one property (like God living in the sky) he therefor has proven God cannot exist.

There are some smaller instances were the art of rhetoric fails him: He tries to argue at length that scientists using the word God did not really intend to do this. We have to take his word for it. He assigns his opponents to the category of people who for 100% know that God exists. The people he ends up argueing with are howver people looking for prove of God existence. His credibility is however most weakened by the repeated claim that religion is responsible for death, destruction, war and it is waist full and useless. Is he really claiming death, destruction, war, waist fullness will not occur in an atheist world and atheist do spend their time and resources useful? I would like him to try to pull that one off, but he seems content repeating the suggestion that these are somehow problems of religion.

Unfortunately for Dawkins the weak rhetorics is the least of his problems. The science in his arguments based on science are seriously flawed. To his credit not in the field of biology, but to my disappointment, almost everywhere else. According to Dawkins we cannot know if God exists, but can assign his existence a probability. A chance he will not accept me to put at 50-50, while this he regards as weak. However from a scientific viewpoint we can only assign probability on the basis of knowledge. Arguments with people who do not know, but might belief, does not contrary to what Dawkins suggest, attain the status of knowledge.

In more general terms: Dawkins’ argument seems to be that while we cannot see a reflection of God, the probability of God must thus decrease. I don’t see a reason for this to be a prioiri valid. If there is a God and he created this universe as a closed self-sufficient system there is no reason why we would be able to see a reflection of him. The signature of a watchmaker might be obvious to other watchmakers, but a cog in the watch does not have to know. Fair point would be that a God that does not reflect on our existence at all might not be something worthy of reverence, but that is not his argument. His argument is that while we cannot see the watchmaker or his reflection there most likely is none.

This arrogance is also behind the distinction Dawkins’ attributes to Daniel Dennet between a skyhook and a crane. The only difference between a skyhook and a crane is however a perspective from which you can see a base. Dawkins claims that while we see a base in some instance, the fact that we cannot see it in others invalidates these beliefs as skyhooks. He does not seem to realize that a more simple solution is that we are just not in a position to see the base. Surely he does not want to claim that Darwin’s contribution: Finding a base for what was until then a skyhook should have been obvious to anyone before Darwin?

From here flows a more general problem for Dawkins. He threats science as an a priori authority. He suggests science will come up with solutions for explaining things we do not know yet. He makes it sound like the fact that there is no good explanation for the existence of this universe from physics is a temporary affair soon to be resolved. There is however nothing in science itself that promises this. The scientific method is a good way to test ideas against reality. It may lead to good models to describe that reality. It does not however promise anything about the ideas to be tested or include a necessity for progress.

We might be able to stand on the shoulders of scientific giants, but it does not mean we will be able to look further, or that we are looking in the right direction. The current attempts to find a unifying theory look to me a lot like the concentric circles Keppler and Copernicus eventual dismissed. The fact that we don’t have a good scientific explanation at the moment must mean we don’t know, nothing more, nothing less.

In an attempt to save physics from not knowing and thereby preserve the authority of science he butchers the strongest, by his own acclaim, argument against the existence of God. Dawkins’ claim is that an explanation of a Boeing 747 being build in mid-air (the fact that we exist) must be simpler than the explanation of an entity that is capable of doing that, simply because the domain for that explanation must now include both the Boeing 747 and the creator. He uses Ockham’s razor here, but never attributes it to the 14-th century Franciscan friar.

He describes the 6 constants that had to be just like they are to support life in our universe (a Boeing being build in mid-air). He then however opens the possibility that either every combination of those 6 constants exist in parallel universes, or existed sequentially until there was one we exist in. An attempt to explain how those 6 constants came to be is however also expanding the domain. Now an explanation of those 6 constants must also include an explanation for those parallel or sequential worlds.

Keep in mind that neither argument tries to say anything about the actual probability of building a Boeing 747 in mid-air, or how it came about. There is no reason to accept the Dawkins expansion of the domain to include parallel or sequential worlds is smaller than expanding the domain to include a creator. An expansion of the domain seems however necessary, to Dawkins as well, because the fact that a Boeing has been build in mid-air (we exist) is just not a good enough explanation in and of itself.

I don’t believe in science, accept it as an a priori authority, and frankly I never knew I needed to. Science is a way to create models of how reality works in the sense that it can predict: A phenomenon that has the same properties as described in the model should behave the same as described in the model. If not, the model is flawed or incomplete. A model that is simpler (requires less properties) is preferable to a more complex one as long as it predicts as well. Science does not have any authority outside the models that meet the above description.

The clash that Dawkins puts forth between religion and science, not accepting that they do not occupy the same domain is precisely because he beliefs in science in the sense that it will one day answer all our questions, beyond what it actually can do at the moment. The ‘religion’ gene Dawkins suggests as an explanation for the belief in God raises the question if there exists a gene for believing in science. Wouldn’t it be ironic if it is the same gene?

There is also another problem with going the route Dawkins spends the later part of the book on: explaining all human phenomenon, suggested to have some basis in religion, from the position of science. He does not explain the one thing that could give his argument credibility: the fact that people belief and want to belief in a God. He thereby creates arguments in which he can always be right, at least to himself: I can explain all that YOU do and if there is something YOU do that I do not explain YOU must be mistaken, delusional, bad and possibly all three.

In his argument on the bible and morality he even goes as far as missing the point entirely. Nobody would claim that humans don’t understand the value of being perceived moral, even without religion, the only point he is able to make with the help of biology. The point is that we want people to be moral in instance where there is no human audience. The possibility of punishment through a higher, all seeing power seems to do the trick. I’m not making a functional argument here for the existence of religion. It is perfectly acceptable, especially for a biologist that something that already exists can have or develop into having some function that is beneficial for something else: Wings are useful for flying. They can also steady a bird, incapable of flight, while running.

Basically my problem with this book has nothing to do with being a theist or atheist. I’m agnostic in the sense that I don’t know about the existence of God and don’t have enough information or need to theorize about it. Dawkins surely does not make any arguments to convince me otherwise. My problem with the book is that it turns science into something it is not: An a priori authority that requires us to believe in, cheer or hope for. Science turned in a competing belief system will eventually lose the ability to explain, while it will start ignoring contrary evidence to keep the faith alive: One may add to its grandness, but never (more) shake its foundations.

De veronderstelde gemeenschap

March 14th, 2007

Het probleem van de dubbele nationaliteit van politici heeft tot heftige, maar weinig verheffende, of verhelderende debatten geleid. Het probleem van deze dubbele nationaliteit ligt in het feit dat we sommige mensen, die nog een andere nationaliteit hebben, uitnodigen om formeel juridisch Nederlander te worden. De mensen die zich al Nederlander achten ontlenen hun gemeenschapszin maar in zeer beperkte mate aan die formeel juridische status. Zij voelen zich veeleerder Nederlander op basis van een set van veronderstelde feiten, normen en waarden, die vaker wel dan niet door politieke motieven hen worden aangereikt. Een idee over nationaliteit dat al eerder uiteengezet is door Benedict Anderson in ‘Imagined Communities’.

De wet verschaft dan misschien alle juridische rechten die binnen zo’n gemeenschap gelden, dan nog is niet gezegd dat nieuwe leden binnen de veronderstelde gemeenschap verwelkomt zullen worden. Juist het feit dat het gaat om een veronderstelde gemeenschap maakt het eenvoudiger om mensen buiten te sluiten, dan ze erin op te nemen. De vloeibaarheid van de feiten, normen en waarden maakt zo’n gemeenschap ongeschikt voor een gezonde dosis relativisme. Relativisme veronderstelt immers een positie buiten, die alleen al daarom bij de mensen binnen weerstand oproept. Om dezelfde reden is het ook eenvoudig om voorwaarden toe te voegen, zoals het hebben van een dubbele nationaliteit en nieuwe arbitraire grenzen te trekken zolang deze de meerderheid maar niet uitsluit.

Populistische politici hebben bij herhaling gebruik gemaakt van dit gemak daar ‘de anderen’ nu eenmaal een makkelijk middel zijn om het wij gevoel te versterken. Je kunt je ook voorstellen dat een politicus uit Limburg of een ander buitengewest hier extra zijn best voor zal doen. Hij komt toch uit een van de zorgenkindjes van Nederland. Eeb regio die afhankelijk is van Europese onderontwikkelingssubsidie en waar de nationale overheid bij herhaling stimuleringsplannen voor moet bedenken. De door de minister-president zo geroemde ‘VOC-mentaliteit’ was dan ook voornamelijk een Hollandse aangelegenheid. Daarbij wordt ook vandaag de dag het meeste geld in de randstad verdient. Een plek waar je gelukkig ook nog gewoon met Nederlands terecht kunt. Hadden we de waterlinie nog maar.

Het bovenstaande is natuurlijk onzin. Als u echter op enig moment gegrepen werd door de redelijkheid of onredelijkheid van het bovenstaande dan kan ik raden waar u woont en bent u waarschijnlijk gevallen voor wat we de ‘veronderstelde gemeenschap’ noemen. Het bovenstaande is niet onwaar. Ik heb echter mijn winkelwagentje door de geschiedenis gestuurd en alleen dat erin gedaan wat hier paste. Ik had er ook aan kunnen toevoegen, dat de VOC-mentaliteit kennelijk het vergaren van persoonlijke winsten is, waarna de staat wordt opgezadeld met alle schulden, want zo liep het af. Dat ver voor de VOC de Nederlandse handelsgeest al zichtbaar was in de Hanse route. Dat de belangrijke motoren van onze industrialisatie de textiel in Twente en de kolen uit Limburg waren. En dat het buitenland ons nog steeds omschrijft als een aardgas staatje op basis van de enorme opbrengsten die we uit Groningen onttrekken.

De wet op het Nederlanderschap beschermt ons tegen het arbitraire karakter van het idee of gevoel van gemeenschap. Het heeft geen plaats om die wet te bediscussiëren op basis van die gemeenschap, juist omdat zij gebaseerd is op betwistbare en kneedbare veronderstellingen. Het heeft al helemaal geen plaats om de loyaliteit van mensen ter discussie te stellen op basis van een veronderstelde gemeenschap. Loyaliteit volgt niet vanzelfsprekend uit lidmaatschap van een gemeenschap, zeker als dat lidmaatschap niet vrijwillig tot stand hoeft te komen. Loyaliteit dient altijd expliciet gegeven te worden. Bijvoorbeeld in de vorm van een eed. We zullen er echter rekening mee moeten houden dat mensen het politiek opportune zullen blijven vinden de veronderstelde gemeenschap als middel te gebruiken voor uitsluiting. Waarschijnlijk omdat ze de dag vrezen dat Dominee King’s droom uitkomt en ook zij zullen worden beoordeeld op de inhoud van hun karakter.

Geen schande

December 13th, 2006

Een demissionair kabinet is altijd een problematische situatie. Het kabinet kan geen nieuw beleid inzetten en kan geen zaken meer behandelen die door de kamer als controversieel worden gezien. Een demissionair kabinet na een verkiezing kan nog problematischer zijn indien de kamer dusdanig van samenstelling is veranderd dat het vorige beleid door een nieuwe meerderheid wordt verworpen.

Die situatie is na 22 november aan de orde. In zulk een sterke mate dat de kamer onmiddellijk stopzetting wilde van uitvoering van een beleidsonderdeel in afwachting van wetgeving door een nieuw kabinet. De kamer kan hier zonder meer om vragen. Zij kent geen demissionaire status en kan zodra zij is beëdigd elke motie en elk initiatief wetsvoorstel behandelen.

Met het feit dat het kabinet een aangenomen motie naast zich neerlegt, omdat dit zoals gezegd niet strookt met het kabinetsbeleid dat zij heeft voorgestaan creëert zij echter een nieuwe situatie. Zij plaatst het kabinet’s beleid zonder meer boven de wens van de kamer en suggereert daarmee dat het kabinet naast haar uitvoerende taak, ook een wetgevende taak heeft, die zij los van, zelfs in tegenspraak met de kamer kan uitoefenen.

Een kabinet heeft deze bevoegdheid echter niet. Zij voert de wensen van de kamer uit. Zelfs wanneer zij zoals in een normale situatie beleid voorstelt is het oordeel finaal en ongedeeld aan de kamer. Het kabinet is niet meer dan het uitvoerend orgaan van de wens van de kamer. De demissionaire status verandert daar niets aan. Indien een kabinet besluit de wens van de kamer te negeren, moet ze daar de rechtsgrond ergens anders vandaan halen.

Het lijkt erop dat vooral de VVD suggereert dat dit voortkomt uit de wens van de meerderheid in de kamer in een vorige periode. Deze meerderheidsadvies is echter irrelevant geworden met een nieuwe verkiezingsuitslag. Geen enkele kamer meerderheid mag in staat gesteld worden over de eigen verkozen periode heen te regeren, zelfs niet tijdelijk. Dat zou een zware beschadiging zijn voor de democratie. Wetgevende macht moet afhankelijk zijn van de verkiezingen en niet van een kabinetsformatie.

In een demissionaire periode ligt het niet uitvoeren van moties lastiger, dan in niet demissionaire staat. Niet makkelijker zoals dit demissionair kabinet lijkt te willen doen geloven. Een minister heeft ontslag gevraagd aan de koningin, welke dit in beraad houdt en tot die tijd verzoekt om de lopende zaken uit te voeren, totdat er een nieuwe minister is. Deze kan onderdeel zijn van een nieuw kabinet. Nadrukkelijk vraagt de koningin niet om voortzetting van het huidige beleid en zeker niet in tegenspraak met de wens van de kamer.

Indien een minister, bijvoorbeeld door een motie, gedwongen wordt beleid uit te voeren waar hij of zij naar eer en geweten geen uitvoering aan kan geven kan zij alsnog vragen de koningin haar ontslag per direct te aanvaarden. Dat is geen schande. Je kunt een minister niet dwingen handelingen te verrichten die zij naar eer en geweten niet kan uitvoeren.

De minister kan er ook voor kiezen, in het volle bewustzijn van zijn of haar rol als uitvoerende macht om de motie wel uit te voeren. Dit is wederom geen schande. Zij kan zich er volledig op beroepen dat het niet haar beleid is, zij dit misschien in de meest sterke bewoordingen ontraden heeft, maar dat haar rol nu eenmaal vergt dat ze de uiteindelijke wil van de kamer uitvoert.

De situatie die nu ontstaat is echter wel een schande. De minister weigert tot twee keer toe een motie uit te voeren, maar wenst daar geen gevolgen aan te verbinden. Het hele kabinet steunt haar daarin en suggereert daarmee dat dit tot de mogelijkheden zou behoren. Deze mogelijkheid volgt echter niet uit een bevoegdheid die zij ontleent aan haar taak als uitvoerende macht, de wens van de wetgevende macht of de tijdelijke bevoegdheid verkregen van het staatshoofd. Zij kan zich, zonder afkondiging van de noodtoestand, ook niet beroepen op het landsbelang. Die bepaling is aan een wettelijk gekozen volksvertegenwoordiging die daar in dit geval anders over denkt.

Het kabinet kan in zijn geheel eer en geweten aanvoeren om deze motie naast zich neer te leggen en de koningin vragen het ontslag per direct te aanvaarden. Dit zou zonder meer een constitutionele crisis betekenen. De vraag mag dan oprecht gesteld worden wat eer en geweten nog betekent, indien een politiek ongewenste uitkomst voor een kabinet het land in een constitutionele crisis stort. Als de kamer echter geen paal en perk stelt aan illusies van een kabinet dat zij over een zelfstandig mandaat beschikt, van onverklaarbare oorsprong, zullen er nog veel meer constitutionele crises volgen.

Europese grondwet

May 23rd, 2006

Dat de Europese grondwet in zijn huidige vorm geen steun behoeft is al eerder uiteengezet. Potentiele nee-stemmers krijgen echter steun uit onverwachte hoek: de regering. Gegeven de strategie die de regering nu volgt kan het haast niet anders dan dat ze willen dat de burgers van dit land tegen de Europese grondwet gaan stemmen.

Het probleem van deze regering is dan ook reeel. De waardering voor het tweede Kabinet Balkenende II is een nieuw historisch dieptepunt in de Nederlandse politiek. Dat de premier hier buiten verkiezingstijd geen conclusies aan hoeft te verbinden is duidelijk. Het maakt het dit kabinet echter wel lastiger om haar waar aan de burger aan te prijzen, als zij de burger voor haar eigen agenda nodig heeft. In dit geval het referendum voor de Europese Grondwet.

De strategie waarmee men nu echter probeert de Nederlandse burgers over te halen ‘Ja; te stemmen werkt averechts. In de eerste plaats is men veel te laat begonnen. Niet alleen omdat de ‘Nee’ campagne al liep, maar ook omdat enige educatie over het onderwerp niet meer plaats kon vinden.In de tweede plaats heeft men gekozen om de burger niet alleen te vertellen dat, maar ook wat men moest gaan stemmen.

Toen eenmaal uit de startblokken het ‘Ja’-woord van de regering niet onmiddelijk resultaat boekte koos men voor de tactiek om de burger de keus te ontnemen: Ja stemmen, of hel en verdoemenis. Gedreven naar de rand van een ravijn toont zich in elke burger een lemming. Enkele kabinetsleden volgde een al even desastreuze tactiek door de burger simpelweg onmachtig te verklaren: Zalm en Brinkhorst door letterlijk de competentie van de burger in twijfel te trekken, Verdonk door maar weer eens te suggereren dat het altijd nog mogelijk blijft voor het parlement om de gehele uitslag naast zich neer te leggen. Een politcus die blijkt geeft zijn eigen burgers niet te vertrouwen om het goede te doen kan altijd rekenen op een stem tegen.

Een effectievere strategie om te zorgen dat het referendum in een stem voor de Europese grondwet zou eindigen begint met de vraag wie er nu niet gaan stemmen. Dit zijn toch voornamelijk de mensen die het belang van de Europese grondwet niet direct onderkennen en de vaste categorie van mensen die denkt dat het toch allemaal wel goed zal komen. In potentie zijn dit ook mensen die in meerderheid bereid zijn, mits vriendelijk gevraagd, om ‘Ja’ te stemmen.

Een ‘Ja’ campagne voor de grondwet had daarmee op twee pijlers opgezet kunnen worden: Educatie en een duidelijke oproep om te gaan stemmen. De educatie had zich dan vooral moeten richten op de inhoud en het belang van het referendum en niet over de mogelijke gevolgen van de Europese grondwet. Al moet duidelijk zijn dat een 264 pagina tellend oerwoud van regeltjes, compromissen en open eindjes moeilijk inzichtelijk te maken is. De oproep om te gaan stemmen had dan vooral moeten benadrukken dat de stem van de burger belangrijk is, ongeacht wat zij stemt.

Je had de uitvoering van die campagne achterop een viltje kunnen maken: Een foto van 150 kamerleden, met ‘wij gaan stemmen, u toch ook!’, campagnes in het onderwijs met lesmateriaal over de grondwet, het zaatljes circuit waarin politici hun eigen kaders en die enkele belangstellende informeren en het land in sturen. Een paar interviews waarin prominente politici benadrukken dat de burgers een belangrijke keuze gevraagd wordt te maken. Op de obligate vraag wat ze dan zelf gaan doen kun je de antwoorden scripten: “Ik stem voor, omdat (vul een x aantal positieve punten in), maar elke burger moet naar eer en geweten zijn eigen afweging maken.” en het werk is gedaan.

Het feit dat de regering voor de eerste strategie heeft gekozen en daarmee vooral de nee-stemmers naar de stembus jaagde, betekent of dat ze politiek onhandig is, of dat ze eigenlijk wil dat u ‘Nee’ stemt op 1 juni. Aan u om die informatie mee te nemen in uw keuze.